In de kantlijn van de dag

Waar het gewone even blijft hangen

  • Ik begon met schrijven op een leeftijd waarop veel mensen juist afronden. Niet omdat ik dacht dat ik er goed in was, en zeker niet omdat ik mezelf ineens schrijver noemde. Het begon als onderdeel van verwerking, het verdriet en de woede van me afschrijven. Dat werd het verhaal van een reis door een landschap waar je niet wil zijn. Een verhaal over onmacht en arrogantie, onverschilligheid, medeleven en soms een déjà vu. Maar bovenal was het een confrontatie met mezelf.
    Het bijhouden van een dagboek en later de korte reisverslagen van mijn solo-reis waren voor mij een bijna logisch vervolg en misschien ook onderdeel van de verwerking. Elke dag een half uur gaan zitten en opschrijven hoe ik de dag had ervaren, wat mijn gedachten waren en het gevoel dat ik daarbij had. Ik deed het graag.

    Ergens onderweg en intens genietend van het overweldigende panorama, kwam er ruimte in mijn hoofd. Stilte ook. Een soort stilte die zich vulde met zinnen die nergens heen hoefden, maar wel bleven aandringen.
    Jarenlang had ik woorden gebruikt om dingen te regelen, uit te leggen, af te handelen. Taal was functioneel geweest, netjes opgeborgen, zoals gereedschap na gebruik. Het had bijna altijd tot doel om iets voor elkaar te krijgen, duidelijkheid te scheppen, mensen te bewegen.

    Dat is nu zó anders. Nu heb ik tijd. Niet onbeperkt, maar genoeg om een zin niet meteen te geloven. Om een alinea te laten rusten en er later naar terug te keren, met minder haast en meer aandacht. Ik schrijf aan de eettafel, vaak zonder plan. Geen schema, geen doelen. Alleen de afspraak met mezelf om te gaan zitten en te kijken wat zich had gemeld, opgeschreven in mijn kleine notitieblok. Een gedachte die plots opkwam, een zin die uitgesproken werd, een onderwerp dat het alledaagse treffend duidelijk maakt, een gebeurtenis die mij in verwondering even stil deed staan.

    In het begin was mijn schrijven voorzichtig. Elke zin leek zich te verontschuldigen. Ik schaafde te veel, maakte het glad, durfde eenvoud niet te vertrouwen. Alsof helderheid een vereiste was. Langzaam begon ik dat los te laten. Ik ontdekte dat mijn kracht niet lag in grote ideeën, maar in het kleine. In wat niet wordt uitgesproken. In de lichte verschuivingen tussen mensen. In een stilte die meer zegt dan een alinea uitleg.

    Mijn leeftijd bleek geen last, maar een lens. Ik hoefde niet alles te benoemen. Ik wist hoe verlies voelt zonder het woord te gebruiken. Ik kende wachten, aarzeling, spijt, boosheid en berusting. Die ervaringen zaten al in mij en vonden nu hun vorm.

    Soms vragen mensen waarom ik hier niet eerder mee begon. Dan denk ik even na. Eerder had ik woorden, maar nog geen stem. Die had tijd nodig. Levenstijd.

    Wat ik nu schrijf voelt niet als een late poging, maar als een juiste aankomst. Elke tekst is geen stap vooruit, maar een stap naar binnen. En dat is, zo heb ik geleerd, precies waar mijn behoefte om te schrijven altijd heeft gewacht.

  • Op een bankje in de Donckse Velden. Even weg van alle drukte.
    Hier kwam zij ook graag. Ze kon er uren wandelen. Hij ziet haar weer zo voor zich met haar linnen schoentjes, blauwe spijkerjasje en het kleine bruine tasje om haar schouder.

    Hij kan zich veel herinneren van zijn grote liefde: haar gulle lach, haar warme handen, de warme mond, haar armen om hem heen. Hij voelde zich veilig, naadloos een met haar. In alles wat zij deden waren ze in stilte met elkaar verbonden.

    Haar liefde voor hem was onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig. Ze zou hem volgen, waar hij ook heen zou gaan. Hij wist dat zij hem alle domme dingen die hij deed had vergeven, ook al deden die haar soms pijn. Hij had altijd van haar gehouden en hij hield nog steeds van haar, ook al was ze er niet meer.

    Hij zou haar graag wijsmaken dat hij alles goed zou doen als ze nog één dag samen hadden, maar dat was niet waar. Hij zou dezelfde fouten maken, op eentje na dan. Hij zou geen afscheid van haar nemen.

    Wat was er gebeurd met al die dingen die hij dacht en voelde, maar verzweeg? Waren zij verworden tot brandstof voor zijn verdriet en spijt?

    Het voelde als een kamer zonder muren. Alles was er nog, tastbaar bijna, maar hij kon het nergens neerzetten.
    De onuitgesproken gedachten en gevoelens waren niet verdwenen. Ze hadden geen andere eigenaar gekregen. Ze waren gebleven waar ze ontstonden, maar zonder adres om naartoe te gaan.

    Of ze brandstof waren geworden voor verdriet en spijt? Misschien deels. Maar brandstof is niet alleen destructief. Het is ook wat iets gaande houdt. Wat maakte dat hij zich haar herinnerde: de handen, de adem, de stilte die vol was.

    Spijt bijt, maar liefde bewaart. Het feit dat hij deze woorden nu opschreef, maakte dat ze niet langer uitsluitend verdriet voedden. Ze kregen eindelijk lucht.

    Hij vroeg zich af hoe hij kon weten wat zij voelde. Misschien zat het antwoord al in wat hij zeker wist: dat zij hem overal zou volgen, hem alles zou vergeven en hem zou vasthouden zonder voorwaarden. Liefde laat sporen na in gedrag, niet alleen in woorden. Mensen die onvoorwaardelijk liefhebben, doen dat niet in stilte zonder dat het hoorbaar wordt in hun daden.

    Hij had niet de wens om perfect te zijn, maar de wens om niet te breken. Misschien was dat ook wat hij nu deed: het afscheid uitstellen door alsnog te zeggen wat toen niet gezegd werd.

    Ik krijg het koud en ga weer verder. Mijn zonnebril houd ik nog maar even op.

  • Even snel naar de super en de apotheek. 
    Op de terugweg naar huis viel mijn oog op een reddingsboei, hangend aan een bakstenen muur van een oud flatgebouw. Niets bijzonders misschien, ware het niet dat hij op de dertiende etage hing. Dat was toch verontrustend.

    Aan de Nieuwe Maas had ik al eens ’n ark gezien, met op de voorplecht een giraf.

    De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt in hoog tempo, maar gaat het werkelijk zó snel? En zou het water dan tot aan de dertiende etage reiken?

    Misschien is het niets. Een hand van vroeger, een muur die om aandacht vroeg. Maar een reddingsboei dertien hoog hangt niet lichtzinnig. Hij wacht. Op water, op een verhaal, op een dag die nog geen naam heeft. En terwijl ik naar huis fietste, vroeg ik me af of hij daar hangt uit voorzorg, of uit herinnering, of als symbool van een veranderde wereld.